| Koplampen werken niet |
Doorgebrande zekering of defecte gloeilamp |
Controleer zekeringen 1, 2, 3 en 4 in het zekeringenkastje bij het instrumentenpaneel. Vervang met zekering van dezelfde kleur en amperage. Als zekeringen intact zijn, vervang de gloeilamp volgens de instructies in het handboek. |
| Verlichting achter werkt niet |
Doorgebrande zekering of defecte gloeilamp in achterlichten |
Controleer zekeringen 1-11 in het zekeringenkastje in de kofferbak achter het linkerpaneel. Vervang met zekering van dezelfde amperage. Vervang defecte gloeilampen volgens instructies. |
| Voorruit ruitenwissers werken niet |
Doorgebrande zekering |
Controleer zekering 12 (voorruit ruitenwissers, 15A) in het zekeringenkastje bij het instrumentenpaneel. Vervang indien nodig. |
| Elektrische raampjes werken niet |
Doorgebrande zekering of defect mechanisme |
Controleer zekeringen 35, 36 en 37 in het zekeringenkastje. Zekering 35 (linkervoorkant, 25A), zekering 36 (rechtervoorkant, 25A) en zekering 37 (achterdeuren, 30A). Vervang indien nodig. |
| Centrale vergrendeling werkt niet |
Doorgebrande zekering |
Controleer zekering 27 (instrumentenpaneel, 15A) voor algemene centrale vergrendeling of zekeringen 35 en 36 voor elektrische ramen en vergrendeling. Ook controleer zekering 8 in de kofferbak voor achterdeuren en brandstofklep vergrendeling. |